PolitiekDelft.nl


| HOME | MISSIE | ARCHIEF | DOSSIERS | LINKS | CONTACT | ENGLISH | GR2010 |
delft     delft     delft     delft     delft     delft     delft     delft     delft     delft     delft     delft
Loading


donderdag | 22 maart 2012 | 01:25 |

HOME > DOSSIERS > DOSSIER SIETSE HEIDSTRA > OVERZICHT

'UITSPRAAK IN CASSATIE SIETSE HEIDSTRA'

LJN: BO3367, Hoge Raad , 08/01819 *
Datum uitspraak: 21-12-2010
Datum publicatie: 21-03-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie: HR: art. 81 RO en gegronde klacht over overschrijding redelijke termijn.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

--------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak
21 december 2010
Strafkamer
nr. S 08/01819
MSP/SJ

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 april 2008, nummer 22/001153-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het vijfde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en een week waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 21 december 2010.

--------------------------------------------------------------------------------

Conclusie
Nr. 08/01819
Mr. Knigge
Zitting 2 november 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 10 april 2008 veroordeeld wegens 1. eerste cumulatief/alternatief, 2. en 3. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" en 7. "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het Hof de teruggave aan verdachte gelast van inbeslaggenomen voorwerpen, zoals in het arrest vermeld.

2. Mr. S.J. Paans, advocaat te Rotterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam heeft een schriftuur ingediend, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof het verzoek tot aanhouding van de zaak op 27 maart 2008 op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 maart 2008 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De raadsvrouw voert het woord -zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb mijn cliŽnt vanochtend gesproken en heb van hem vernomen dat hij opgenomen is geweest in het ziekenhuis vanwege een darmperforatie en hartklachten. Hij is nog niet in staat op de zitting te verschijnen. Hij wil gebruik maken van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en ik verzoek uw hof de behandeling van de zaak aan te houden. Nu ik eerst vanochtend met mijn cliŽnt heb gesproken kan ik u geen medische verklaring overleggen.
Ten tijde van de vorige zitting had mijn cliŽnt psychische problemen. Die staan los van de lichamelijke problemen die hij nu ondervindt. Dit zijn volstrekt onvoorzienbare omstandigheden. Mijn cliŽnt beschikt niet over een mobiele telefoon en heeft mij dus niet eerder kunnen bellen om mij van de situatie op de hoogte te stellen.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting teneinde de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen contact op te nemen met de huisarts van de verdachte.

Na hervatting van het onderzoek deelt de raadsvrouw mede dat zij geen contact heeft kunnen krijgen met de huisarts.

De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak nu de verdachte in een eerder stadium contact had kunnen zoeken met zijn raadsvrouw.

De raadsvrouw deelt mede dat zij zodra zij deze morgen hoorde van de verdachte dat hij een darmperforatie en hartklachten had instructie heeft gegeven om een medische verklaring op te vragen. Ze merkt voorts op dat ze geen contact meer heeft kunnen krijgen met de verdachte.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd en de raadsvrouw van de verdachte geen medische verklaring kan overleggen waaruit de medische toestand van de verdachte blijkt. De voorzitter merkt daarbij op dat de behandeling van de zaak al eerder is aangehouden."

3.3 In HR 17 februari 1998, NJ 1998, 428(1) heeft de Hoge Raad overwogen dat een redelijke toepassing van art. 6 EVRM meebrengt dat, indien een verdachte door ziekte is verhinderd ter terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht, de rechter aan dit verzoek voldoet teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te verschaffen bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn en alsdan gebruik te maken van de hem bij voormelde verdragsbepaling toegekende rechten. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen indien het onderzoek ter terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. In HR 6 november 2007, LJN BB4856 is voorts bepaald dat het ter beoordeling van de rechter staat of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.

3.4 Tegen de achtergrond van het aangevoerde - wegens eerdere ziekenhuisopname is verdachte niet in staat te verschijnen en het daaruit voortvloeiende gegeven dat dit geen informatie is die pas op de dag van de zitting is ontstaan - is 's Hofs oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd niet onbegrijpelijk. Van verdachte kon in redelijkheid worden verwacht dat hij - al dan niet door tussenkomst van derden - zich tijdig tot zijn raadsvrouw of tot de griffie van het Hof had gewend. Het enkele feit dat hij niet over een eigen telefoon zou beschikken, maakt dat niet anders. In dit verband verdient aandacht dat de raadsvrouw op de dag van de terechtzitting wťl contact met verdachte bleek te kunnen hebben. Daar komt bij dat het voor de verdachte toch niet al te moeilijk moet zijn geweest om bewijsstukken over te leggen waaruit in elk geval de beweerdelijke recente ziekenhuisopname bleek. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat het Hof aan verdachtes procesopstelling - die voor rekening en risico van verdachte komt - de conclusie heeft verbonden dat het gestelde onvoldoende aannemelijk is geworden. Het Hof heeft bij zijn keuze voor deze strenge maar niet onredelijke benadering mogen laten meewegen dat de zaak reeds eerder was aangehouden.

3.5 Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat verdachte heeft gedwaald omtrent het recht.

4.2 Blijkens de pleitnota overeenkomstig welke verdachtes raadsvrouw ter terechtzitting van 27 maart 2008 heeft gepleit is, voor zover hier van belang, aangevoerd:

"[Verdachte] betwist niet dat hij patronen in huis had, maar hij wist niet dat dit niet mocht. Het gaat om patronen die niet meer bruikbaar zijn en die onderdeel uitmaakten van een verzameling koloniale spullen. [Verdachte] hield de patronen puur "voor de sier", als verzamelobjecten. Hij heeft er geen seconde aan gedacht dat dit strafbaar zou kunnen zijn.

[Verdachte] heeft dus gedwaald over de (on)geoorloofdheid van zijn handelen. Deze dwaling is ook verschoonbaar, gelet op het feit dat het om zeer oude en niet meer bruikbare munitie ging. Er is dan ook sprake van verschoonbare rechtsdwaling, hetgeen dient te leiden tot ontslag van rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld."

4.3 Het Hof heeft dit verweer verworpen en als volgt gemotiveerd:

"De raadsvrouw heeft ondermeer aangevoerd dat weliswaar bij verdachte patronen in huis zijn aangetroffen, maar dat verdachte er geen seconde aan heeft gedacht dat dit strafbaar zou kunnen zijn.
Gelet hierop en op het onderzoek ter terechtzitting had de verdachte naar het oordeel van het hof redelijkerwijs moeten weten dan wel behoren te weten dat het voorhanden hebben van het bewuste patroon strafbaar is in de zin van de Wet wapens en munitie en heeft hij op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zulks het geval is, nu hij zich op geen enkele wijze heeft vergewist of dit voorhanden hebben van die patronen als voormeld strafbaar is gesteld."

4.4 Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit is vereist dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.(2) De Hullu schrijft dat onbekendheid met de precieze inhoud van regelgeving wel denkbaar is, maar dat voor rechtsdwaling ook en vooral is vereist dat deze verontschuldigbaar was, en dat men meestal wel weet (of in ieder geval dient te weten) dat een bepaald onderwerp gereguleerd is en dat men zich adequaat op de hoogte moet stellen van geldende regelgeving en daartoe initiatief moet ontplooien.(3)

4.5 Het Hof heeft zijn oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragingen hierop gegrond dat op de verdachte de zelfstandige verplichting rustte zich te informeren omtrent de bestaande wet- en regelgeving. Het oordeel van het Hof dat de verdachte daarin is tekortgeschoten door na te laten zelf bij enige bevoegde instantie te informeren naar de toelaatbaarheid van de patronen en dat daarom het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling moet worden verworpen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het beroep dat in de toelichting op het middel wordt gedaan op HR 23 december 2008, NJ 2009, 32 gaat niet op, aangezien het in dat arrest gaat over het bewijs van het opzet.

4.6 Het middel faalt.

5.1 Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 1. Het bewijs van verdachtes daderschap zou ontoereikend zijn.

5.2 Ten laste van verdachte is onder 1. bewezenverklaard dat:

"hij op 2 februari 2006 te Delft [betrokkene 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:
- in de brievenbus van de woning van voornoemde [betrokkene 1] een brief/enveloppe achter gelaten met daarin een krantenartikel met de titel 'toename bedreiging politici' en een schietschijf"

5.3 Het Hof heeft de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd:

"Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3
1, Een proces-verbaal van Politie Haaglanden d.d. 14 september 2006 met nummer 1509/2006/2480 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijke weergegeven - Zakendossier "TEGEL", Verdachte dossier, pagina 99):

A. als relaas van deze verbalisanten:

We tonen u nu een kopie van een kaartje met daarop een uitgescheurde foto. Herkent u het kaartje waarop deze foto is bevestigd.

B. als de tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de verdachte, adres [a-straat 1] te Delft:

Een vergelijkbaar kaartje heb ik ook op mijn raam gehad. Dat was voor handboogschieten. Het kaartje heb ik ook gezien in een dumpzaak in [plaats], genaamd [A].

2. Een proces-verbaal van Politie Haaglanden d.d. 25 september 2006 met nummer PL 1509/2006/2480, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - (Zakendossier "TEGEL", bijlage G-02 p. 29 e.V.). als de op 22 september 2006 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Ik ben werkzaam als bedrijfsleider van winkel [A], gelegen aan [b-straat 1] te [plaats]. Wij verkopen schietkaarten van het merk Monarch o.a. in de maten 14 bij 14 centimeter. Noot verbalisant: Wij laten de getuige een kopie van de schietkaart getoond zoals deze zijn aangetroffen bij de slachtoffers. De kaart die u mij laat zien is van het formaat 14 bij 14 centimeter, het is de middenmaat en die wordt verkocht in pakketjes van 100 stuks a € 3,50 per 100.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden met nummer PL 1509/2006/2480, d.d. 18 juli 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt, - zakelijk weergegeven -(Zakendossier "TEGEL", bijlage AH p. 21 e.v. ) : als relaas van deze opsporingsambtenaar:
De schietkaart die op 2 februari 2006 bij [betrokkene 1] door de brievenbus is gedaan, is van de fabrikant met het merk Monarch.
Ten aanzien van feit 1

4. Een proces-verbaal van Politie Haaglanden d.d. 2 februari 2006 met nummer PL 1581/2006/2967-4 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijke weergegeven - (Zakendossier "TEGEL", bijlage A p. 1 e.v, ) : als de tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 1]:
Ik ben eigenaar van de woning aan de [c-straat 1] te Delft.
Op 2 februari 2006, omstreeks 1.00 uur, ben ik naar bed gegaan. Op 2 februari 2006, omstreeks 3.30 uur, werd ik gewekt door het geluid van glasgerinkel. Mijn echtgenote en ik zijn direct naar beneden gegaan en ik constateerde dat het keukenraam was vernield. In het halletje zag ik in mijn brievenbus een enveloppe zitten. In deze enveloppe zaten kopieŽn van krantenartikelen. Het ging om "Toename bedreiging van politici" en een schietschijf.

5. Een proces-verbaal van Politie Haaglanden d.d. 8 februari 2006 met nummer PL1581/2006/2967-13 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijke weergegeven - (Zakendossier "TEGEL", bijlage A pagina 6. e.v.): als de tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 1]:
Ik zag dat er in de brievenbus een bruine envelop stak, In de enveloppe vond ik twee gekopieerde krantenknipsels. Verder zag ik dat er een witte met zwarte vierkante papieren schietschijf in zag. Ik zag dat er op de voorzijde van de enveloppe een klein krantenknipsel was geplakt, waarop stond "Wethouder [betrokkene 1]". Ik weet niet uit welke krant dit afkomstig is. Ik vind het schokkend dat mijn privť-situatie is bedreigd. Ik neem deze bedreiging dan ook serieus. Ik ben geschrokken van de krantenknipsels met schietschijf in mijn brievenbus.

6. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden met nummer PL1509/2006/2480, d.d. 26 juli 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijke weergegeven - (Zakendossier "TEGEL", bijlage AH p. 38 e.v. ) : als relaas van deze opsporingsambtenaar:
Ik heb onderzoek gedaan naar het krantenknipsel met als kop "toename bedreiging politici", welke op 2 februari 2006 bij wethouder [betrokkene 1] in zijn brievenbus was gestopt. Uit onderzoek bleek dat dit stuk in de Leeuwarder Courant was geplaatst. Bij navraag bij de Leeuwarder Courant bleek dit een zogenaamde abonneekrant is, maar ook in de losse verkoop verkrijgbaar, echter alleen in Friesland In de provincies Groningen, Drenthe en Flevoland wordt de krant ook bezorgd, indien er voldoende abonnees zijn in een wijk. De krant is niet te verkrijgen in de Randstad. Na onderzoek is gebleken dat de moeder van [verdachte], wonende te [woonplaats], een abonnement heeft op de Leeuwarder Courant.

7. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden met nummer PL1509/2006/2480, d.d. 13 september 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijke weergegeven - (Zakendossier "TEGEL", bijlage AH p. 41 e.v.): als relaas van deze opsporingsambtenaar:
In dit proces-verbaal wordt de relatie aangegeven tussen goederen welke zijn inbeslaggenomen tijdens de doorzoeking in de [a-straat 1] te [woonplaats] (Hof: adres van de verdachte) en de zaaksdossiers waarop die goederen betrekking hebben.

In beslag genomen goederen:
krantenknipsel over de toename van bedreiging van politici
Aanwijzing en mogelijk bewijs in zaak: Tegel
Aanwijzing: uitgeknipt krantenartikel waarvan een kopie is gebruikt.

5 bruinkleurige enveloppen
Aanwijzing en mogelijk bewijs in zaak: Tegel Aanwijzing: zelfde soort enveloppen gebruikt
12 kopieŽn van het krantenartikel "toename bedreiging van politici"
Aanwijzing en mogelijk bewijs in zaak: Tegel Aanwijzing:
exacte kopieŽn van het gebruikte krantenartikel
Een grote hoeveelheid Leeuwarder Couranten. Aanwijzing en mogelijk bewijs in zaak: Tegel

8. Een geschrift, te weten een rapport technisch onderzoek van de Politie Haaglanden met nummer 060914-001/EK-WB d.d. 22 september 2006 op ambstbelofte opgemaakt door W.F. Becude materiedeskundige TR, welk geschrift onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - (Zakendossier "TEGEL", bijlage TR-01 p. 23 e.v.): als relaas van voornoemde deskundige:

Op 14 september 2006 werden uit handen van de opdrachtgever de volgende stukken van overtuiging (svo) ter onderzoek ontvangen:
Svo 02: fotokopie van twee krantenartikelen "Delft op Zondag" en "Toename bedreiging van politici", aangetroffen op het plaats delict
Svo 507#1 origineel uitgeknipt krantenartikel "Delft op Zondag" d.d. 19 dec. 2004, aangetroffen tijdens zoeking in de woning van de verdachte
Svo 507#2 origineel uitgeknipt krantenartikel "Toename bedreiging van politici", aangetroffen tijdens zoeking in de woning van de verdachte
Svo 508#1 (t/m 12) 12 identieke fotokopieŽn van twee krantenartikelen "Delft op Zondag" en "Toename bedreiging van politici", aangetroffen tijdens zoeking in de woning van de verdachte.

Conclusie :
Op grond van de van deze onderzoeksresultaten kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat :
* De fotokopieŽn svo 508#1 (t/m 12) en de fotokopie svo 02 met elkaar overeenkomen d.w.z. gelijk zijn aan elkaar;
* De uitgeknipte krantenartikelen svo 507#1 en svo 507# 2 zijn gebruikt als origineel bij het vervaardigen van de fotokopieŽn svo 508#1 (t/m 12) als bij het vervaardigen van de fotokopie svo 02."

5.4 Het Hof heeft een nadere bewijsoverweging aan de bewezenverklaring gewijd:
"Nadere bewijsoverweging met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3;
Vorenstaande bewijsmiddelen genummerd 1 tot en met 15, in onderlinge samenhang bezien, vormen naar het oordeel van het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de brieven en enveloppen, het krantenartikel en de schietschijven afkomstig zijn van verdachte, zodat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 overweegt het hof nog dat de verdachte in het bezit was van exacte kopieŽn van de krantenartikelen die naar aangever zijn gestuurd, zijn moeder abonnee is van de Leeuwardercourant, alsook soortgelijke enveloppen als de envelop die bij aangever was bezorgd en hij wist waar schietschijven te koop waren in [plaats].
Ten aanzien van feiten 2 en 3 overweegt het hof dat gelet op de overeenkomst tussen deze feiten voor wat betreft het opschrift op de brief OMA met een hartje en met feit 1 voor wat betreft de schietschijf, het voldoende aannemelijk is geworden dat het verdachte is geweest die voornoemde stukken aan aangevers heeft verstuurd."

5.5 Blijkens de pleitnota, overeenkomstig welke verdachtes raadsvrouw ter terechtzitting van 27 maart 2008 heeft gepleit, is aangevoerd:

"Er is geen enkel rechtstreeks bewijs dat [verdachte] in verband kan brengen met de feiten 1, 2, 3 en 5 en daarom dient hij te worden vrijgesproken.

Aan het Openbaar Ministerie moet wel worden toegegeven dat bij de doorzoeking van [verdachte]'s woning zaken zijn aangetroffen die mogelijk verband zouden kunnen houden met de ten laste gelegde feiten. Maar op het moment dat nader technisch onderzoek plaatsvindt, blijkt telkens dat het verband tussen deze zaken en de feiten niet is vast te stellen. Gewezen wordt op het volgende:
- (feit 1) De fotokopieŽn van krantenartikelen die in de woning van [verdachte] zijn aangetroffen zijn volgens de Technische Recherche gelijk aan de fotokopie die op de plaats delict is aangetroffen. De originele krantenartikelen die bij [verdachte] zijn aangetroffen, zijn volgens de Technische Recherche weer gebruikt bij het vervaardigen van de kopieŽn. Dit is echter geen bewijs dat [verdachte] degene is geweest die deze kopieŽn heeft gebruikt voor een bedreiging. Dit geldt des te meer nu [verdachte] aangeeft dat de kopieŽn op grote schaal verspreid zijn.
- (...)"

5.6 In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Tevens zou het Hof ongemotiveerd voorbij zijn gegaan aan het verweer dat verdachte de kopieŽn op tamelijk grote schaal heeft verspreid terwijl hiermee de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is opengelaten dat een ander dan verdachte de kopie in de enveloppe heeft gestopt en bij [betrokkene 1] heeft gepost. Voorts wordt geklaagd dat bewijsmiddel 1 een gedenatureerde verklaring van verdachte bevat.

5.7 Anders dan de steller van het middel, meen ik dat uit de bewijsmiddelen zoals toegelicht in de nadere bewijsoverweging het bewezenverklaarde wel kan volgen. Op grond van die bewijsmiddelen heeft het Hof de kans dat de verdachte niet de hand heeft gehad in de bedreiging van [betrokkene 1] als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde kunnen schuiven. Hetgeen de raadsvrouw aanvoerde met betrekking tot de verspreiding van de kopieŽn noopte het Hof niet tot een nadere motivering. Kennelijk had de raadsvrouw het oog op de verklaring die de verdachte ter zitting in eerste aanleg aflegde. Aldaar verklaarde hij evenwel niet dat de kopieŽn die bij verdachte thuis waren aangetroffen (en waarvan een identiek exemplaar bij [betrokkene 1] door de bus was gedaan) op grote schaal waren verspreid, maar "dat van het krantenartikel uit de Leeuwarder Courant ongeveer vijftig kopieŽn zijn gemaakt ter verspreiding voor een politiek debat ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen". Uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat de twee krantenartikelen die bij [betrokkene 1] door de bus waren gedaan, gekopieerd waren op ťťn vel papier (Svo 02) en dat derhalve ook op de twaalf identieke kopieŽn die bij verdachte thuis werden aangetroffen, beide krantenartikelen afgebeeld waren. Dat lijken dus niet de kopieŽn te zijn die op grote schaal zouden zijn verspreid (waarop immers afgaande op de verklaring van de verdachte alleen het artikel uit de Leeuwarder Courant stond afgebeeld). Dit terwijl de originelen van beide krantenartikelen (die gebruikt waren voor het vervaardigen van de kopie die bij [betrokkene 1] in de bus was gedaan) bij verdachte thuis zijn aangetroffen. De enkele, niet nader toegelichte en niet nader onderbouwde stelling dat "de kopieŽn" op grote schaal zijn verspreid, maakt onder die omstandigheden niet dat het Hof gehouden was zijn bewijsredenering nader toe te lichten. Ik merk daarbij op dat de advocaat-generaal blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 maart 2008 gehechte requisitoiraantekeningen juist heeft benadrukt dat verdachte op 13 september 2006 bij de politie, onder verwijzing naar de paginanummers van het proces-verbaal(4), heeft verklaard dat het ene krantenartikel uit de Leeuwarder Courant is verspreid maar dat hij met het andere krantenartikel niets heeft gedaan, terwijl beide artikelen ("op 1 A4") bij [betrokkene 1] terecht zijn gekomen. Wat de raadsvrouw daar aan verweer tegenover stelde, is weinig indrukwekkend.

5.8 De klacht dat verdachtes verklaring is gedenatureerd kan evenmin slagen. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte(5), waar bewijsmiddel 1 op is gebaseerd, luidt:
"Een vergelijkbaar kaartje heb ik ook op mijn raam gehad. Het kaartje dat ik heb gehad was echter wel anders. Dat was voor handboogschieten. Daarover heb ik met [betrokkene 3] gesproken.
Trouwens, het kaartje heb ik ook gezien in een dumpzaak in [plaats], genaamd [A] heb ik dat kaartje gezien."
In een aanvulling op het proces-verbaal(6) wordt over deze verklaring van verdachte door de verbalisanten verklaard:
"Met dit kaartje wordt tevens het schietschijfje bedoeld. Verdachte antwoordt hierop dat hij een vergelijkbaar kaartje heeft gehad op zijn raam. Dit was echter niet hetzelfde schietschijfje als die aan de verdachte is getoond. Verdachte verklaarde dat het kaartje dat hij op zijn ramen heeft gehad, groter was en niet zoveel ringen had als het betreffende schietkaartje. De verdachte is met dit kaartje naar [betrokkene 3], chef opsporing van bureau Delft gegaan. [Betrokkene 3] heeft hierop geantwoord dat dit kaartje wordt gebruikt bij het handboogschieten."

5.9 De relevantie van verdachtes verklaring ligt in zijn kennis van een verkooppunt van schietkaarten. Deze kennis is in combinatie met de bevestiging van de winkelmedewerker dat zulke kaarten - zelfde afmeting en merk - daar worden verkocht en de overige bewijsmiddelen redengevend voor de bewezenverklaring. Het Hof heeft door het weggelaten van de verklaring van verdachte dat het kaartje dat hij op zijn raam heeft gehad, anders was, niet een andere betekenis gegeven aan de verklaring. Van denaturering van een verklaring is dus geen sprake.(7)

6.1 Het vierde middel klaagt over de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3.

6.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"2. hij op 13 februari 2006 te Delft [betrokkene 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:
- een brief/enveloppe gericht aan '[Betrokkene 5 en kids]' gestuurd naar het huisadres van voornoemde [betrokkene 1] en
- in die enveloppe een schietschijf gevoegd en op de roos van die schietschijf een foto van voornoemde [betrokkene 1] bevestigd;

3. hij op 13 februari 2006 te Delft [betrokkene 4] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:
- een rouwbrief/enveloppe verstuurd naar het huisadres van voornoemde [betrokkene 4] en
- in die enveloppe een schietschijf gevoegd en
- op (de achterzijde van) die schietschijf geschreven/vermeld '-HET KOMT NU WEL HEEL DICHT BIJ- hoe dichtbij wil je het hebben somme SUKKEL?"

6.3 Het Hof heeft naast de hiervoor onder 5.3 vermelde bewijsmiddelen 1, 2 en 3 de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd:
"9. Een proces-verbaal van Politie Haaglanden met nummer PL15J2/2006/612-2 d.d. 14 februari 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijke weergegeven - (Zakendossier "BRIWE", bijlage A p. 1 e.v. ) :
als de tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 1]:
Gisteren werd ik gebeld door mijn echtgenote dat zij een brief had ontvangen. De brief was gericht aan "[betrokkene 5 en kids]". Als afzender stond er op de brief "OMA" met daarachter een hartje. Mijn huisadres was op de enveloppe vermeld. In de enveloppe zat een schietschijf met in de roos een foto van mij. Tevens zat er een kaartje in de enveloppe met de tekst: "De kogel komt deze keer van rechts." Naast deze tekst staat een kruis afgebeeld. Uit de tekst op de enveloppe, de inhoud van de enveloppe en de eerdere gebeurtenissen waarvan ik reeds aangifte heb gedaan, begrijp ik dat iemand mij dood wilt hebben. Ik voel mij dan ook zeer bedreigd.

10. Een proces-verbaal van Politie Haaglanden d.d. 14 februari 2006 met nummer PL15J2/2006/612-4 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijke weergegeven -(Zakendossier "BRIWE", bijlage G p. 1 e.v.): als de tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 5]:
Ik ben gehuwd met [betrokkene 1] die als wethouder van Delft werkzaam is. Samen met mijn man en drie zonen woon ik op [c-straat 1] in Delft. Vandaag 13 februari 2006 kwam ik thuis. Ik zag dat er op de deurmat binnen in de woning een brief lag. De brief leek op een rouwbrief. Ik zag dat de brief geadresseerd was aan [betrokkene 5 en kids] [c-straat 1] Delft. Ik zag dat op de achterkant van de enveloppe "OMA" stond geschreven waarnaast een hartje was getekend. In de enveloppe zat een schietschijf met de foto van [betrokkene 1] als roos. Ik zag achterop de schietschijf de tekst "deze keer komt de kogel van rechts".

11. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden met nummer PL1509/2006/2480, d.d. 13 september 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijke weergegeven - (Zakendossier "BRIWE", bijlage AH p. 17 e.v. ) : als relaas van deze opsporingsambtenaar :
In dit proces-verbaal wordt de relatie aangegeven tussen goederen welke zijn inbeslaggenomen tijdens de doorzoeking in de [a-straat 1] te Delft (Hof: adres van de verdachte) en de zaaksdossiers waarop die goederen betrekking hebben.
In beslag genomen goederen: 3 onaangebroken mapjes met rouwenveloppen.
Aanwijzing en mogelijk bewijs in zaak: Briwe/Burg. Aanwijzing: Identieke rouwenveloppen gebruikt. In beslag genomen goederen: Een (1) sjabloon. Aanwijzing en mogelijk bewijs in zaak: Briwe/Burg. Aanwijzing: sterk gelijkend type.

12. Een proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek van Politie Haaglanden met nummer PL1581/2006/2967-48, d.d. 4 september 2006 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - (Zakendossier "BRIWE", bijlage TR p. 8 e.v.): als relaas van deze opsporingsambtenaar:
Ik heb een aanvullend onderzoek verricht aan twee dreigbrieven, die geregistreerd staan onder nummer 258 en nummer 259.
De dreigbrief geregistreerd onder nummer 258 is gericht aan:
[betrokkene 5 en kids]
[c-straat 1]
Delft
De dreigbrief geregistreerd onder nummer 259 is gericht aan:
[betrokkene 1]
[d-straat 1]
Den Haag

Vergelijking lettersjablonen
Bij een visuele vergelijking van de adressering en de teksten zag ik dat de vorm en de grootte van de gebruikte lettersjablonen sterk overeenkwamen. Ik zag dat op de sluitrand van beide dreigbrieven een logo in de vorm van een hartje getekend was met daarbij de letters "OMA".Gezien de vorm en de hoogte van de letters is het zeer waarschijnlijk dat de letters zijn vervaardigd door ťťn of meerdere sjablonen. Mochten er voor het vervaardigen van de letters op de beide dreigbrieven meerdere sjablonen zijn gebruikt, dan zijn deze soortgelijk aan elkaar.

Vergelijking enveloppen
Ik zag dat de beide enveloppen van de dreigbrieven zogenaamde rouwenveloppen waren met aan de voorzijde een voorbedrukte dunne rouwrand en de binnenzijde licht grijs van kleur. Bij het opmeten van de enveloppen zag ik dat beide enveloppen een afmeting hadden van 18 cm lang en 12 cm breed. Beide enveloppen waren niet voorzien van een gegomde sluitrand. Beide enveloppen waren met een soortgelijke postzegel van € 0,39 gefrankeerd. Qua afmeting, papierstructuur en bedrukking waren de enveloppen soortgelijk aan elkaar.

13. Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 9 november 2006, uitgebracht en ondertekend door vast gerechtelijk deskundige ing. W. Glas, welk geschrift onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - :
Svo-nummer:
258-01 envelop dreigbrief: geadresseerd aan [betrokkene 5 en kids]
256-02 schietschijf met daarop een pasfoto bevestigd en aan achterzijde de tekst beginnend met "de kogel komt deze keer van rechts"
259-01 envelop geadresseerd aan "[betrokkene 4]"
259-02 schietschijf met aan achterzijde de tekst beginnend met "het komt nu wel heel dichtbij"
516 lettersjabloon

Conclusie
Sjabloonschrift
Op grond van de overeenkomst in vorm endgrootte van de schrifttekens kan de sjabloon [516] voor het opstellen van het sjabloonschrift op de enveloppen [258-01 en 259-01] en de brieven [258-02 en 259-02]

14. Een proces-verbaal van Politie Haaglanden d.d. 14 februari 2006 met nummer PL15J2/2006/611 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijke weergegeven (Zakendossier "BURG", bijlage A p. 01 e.v.): als de tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 4]:
Ik ben de burgemeester van Delft. Gisteren 13 januari 2006 werd ik gebeld door [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] zei dat hij een dreigbrief had ontvangen. Omstreeks 17.15 uur belde mijn vrouw mij op en zij zei dat er een brief was binnengekomen. Zij vertelde mij dat het een rouwbrief betrof met een grijze rand aan mij gericht. Zij vertelde mij dat er een schietkaartje met op de achterkant de tekst: "Het komt nu wel heel dichtbij hoe dichtbij wil je het hebben domme sukkel". Ook vertelde zij dat er op de achterkant van de enveloppe de tekst "Oma" stond met een getekend hartje.
Omdat bij wethouder [betrokkene 1] ook een soortgelijke brief is bezorgd, voel ik mij ernstig bedreigd, mede gezien de adressering van de brief aan [betrokkene 1] en de tekst die in beide brieven is gebruikt.

15. Een proces-verbaal van Politie Haaglanden d.d. 15 februari 2006 met nummer PL15K1/2006/611-3 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijke weergegeven - (Zakendossier "BURG", bijlage G p. 01 e.v.): als de tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 6]:
Ik bewoon samen met mijn man en kinderen perceel [d-straat 1] te Den Haag. Mijn man, [betrokkene 4], is burgemeester van de gemeente Delft. Vandaag (Hof: 13 februari 2006) zag ik dat er post in de brievenbus van onze woning zat. Ik zag dat er een brief bij was welke mij deed denken aan een rouwbrief. Ik heb de brief geopend en zag dat er in de enveloppe een schietschijf zat. Ik zag dat er in de enveloppe een schietschijf zat. Ik zag dat er op de achterkant "-het komt nu wel heel dichtbij- hoe dichtbij wil je het hebben domme sukkel-"de brief is geadresseerd aan [betrokkene 4] [d-straat 1] Den Haag. Ik zag dat er op de achterkant van de brief geschreven stond het woord OMA met een getekend hartje erbij."
Het Hof heeft voorts met betrekking tot deze bewezenverklaringen overwogen hetgeen hiervoor onder 5.4 is weergegeven.

6.4 In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof heeft geoordeeld dat de feiten 2 en 3 door dezelfde persoon zijn gepleegd die feit 1 heeft gepleegd en dat verdachte deze persoon is. Beide oordelen zouden niet kunnen worden afgeleid uit de inhoud van de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering.

6.5 Deze klacht berust op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. Het Hof heeft geoordeeld dat de bewijsmiddelen 1 tot en met 15, in onderlinge samenhang bezien, voldoende wettig en overtuigend bewijs vormen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1, 2 en 3. Het Hof heeft - anders dan de steller van het middel meent - dus niet enkel op grond van een overeenkomst in de modus operandi geoordeeld dat de dader van feit 1 ook de dader van de feiten 2 en 3 is. Iets anders is dat het Hof bij zijn oordeel dat de verdachte (ook) de feiten 2 en 3 heeft gepleegd betekenis heeft toegekend aan het feit dat ook bij die feiten gebruik werd gemaakt van een schietschijf, waarbij het Hof in aanmerking zal hebben genomen dat de feiten 2 en 3 betrekkelijk kort na feit 1 werden gepleegd in dezelfde plaats (Delft), dat de slachtoffers in alle drie gevallen deeluitmaakten van het College van B&W van die plaats en dat de feiten 1 en 2 hetzelfde slachtoffer kenden. Die omstandigheden heeft het Hof bezien in samenhang met de andere feiten die uit de bewijsmiddelen blijken (waaronder in het bijzonder de aangetroffen rouwenveloppen en de aangetroffen liniaal waarmee het sjabloonschrift kan zijn opgesteld). Uit dat geheel van feiten en omstandigheden heeft het Hof de conclusie getrokken - en mijns inziens ook kunnen trekken - dat de verdachte de feiten 2 en 3 heeft gepleegd.

6.6 Volgens de steller van het middel volgt uit de bewijsmiddelen niet dat de schietschijven bij de feiten 2 en 3 dezelfde schietschijven zijn als de schietschijf die is gebruikt bij feit 1.
Uit bewijsmiddel 2 volgt dit echter wel. Met de stelling dat zelfs al zouden de schietschijven identiek zijn, dit nog niets zegt, omdat ze bij veel dumpstores worden verkocht, wordt miskend dat de bewezenverklaringen zijn gebaseerd op de bewijsmiddelen in samenhang bezien.

6.7 Voorts wordt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de sjabloon die door het NFI is onderzocht dezelfde sjabloon is als bij de doorzoeking in beslag is genomen. Ook hierin kan ik de steller van het middel niet volgen. Uit de bewijsmiddelen 11 en 13(8) blijkt dat onder verdachte een lettersjabloon in beslag is genomen en dat door het NFI onderzoek is gedaan naar een sjabloon met svo-nummer 516. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat het om een en dezelfde sjabloon ging. Dat in bewijsmiddel 11 niet is opgenomen dat aan de lettersjabloon het nummer 516 is toegekend, doet aan de begrijpelijkheid van dat oordeel niet af. Daarbij neem ik in aanmerking dat door de verdediging ter terechtzitting niet is aangevoerd dat uit de processtukken niet kan blijken dat de door het NFI onderzochte sjabloon de sjabloon betreft die onder verdachte in beslag is genomen.

6.8 De stelling dat het Hof het standpunt dat de sjabloon bij het vervaardigen van de dreigbrieven is gebruikt nader had moeten motiveren, berust op de onjuiste gedachte dat het Hof enkel op grond van het onderzoek dat met betrekking tot de bij verdachte thuis aangetroffen sjabloon is verricht, heeft geconcludeerd dat de dreigbrieven met behulp van deze sjabloon zijn vervaardigd. Dat verdachte de dader is (en dus de sjabloon zal hebben gebruikt) heeft het Hof als gezegd afgeleid uit een veelheid van feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. Hetzelfde geldt m.m. voor de klacht dat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom het de gevonden enveloppen redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring.

6.9 Het middel faalt op alle onderdelen.

7. Het vijfde middel behelst de terechte klacht dat art. 6 EVRM is geschonden, omdat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Het cassatieberoep is op 17 april 2008 ingesteld en de stukken van het geding zijn eerst op 25 augustus 2009 door de Hoge Raad ontvangen, zodat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat sinds het instellen van het beroep meer dan twee jaar is verstreken. Dit zou moeten leiden tot strafvermindering.

8. De middelen ťťn tot en met vier falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Middel vijf slaagt.

9. Andere gronden (dan de onder 7 gesignaleerde overschrijding van de twee jaars-termijn) waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de duur van de opgelegde straf; tot vermindering van die duur aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ook in: HR 6 november 2007, LJN BB4856 en 21 april 2009, NJ 2009/323, m.nt. Borgers.
2 Vgl. HR 23 mei 1995, NJ 1995/ 631.
3 De Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, p. 358. Vgl. voorts de conclusie van mijn ambtgenoot JŲrg vůůr HR 9 maart 2004, NJ 2004/675, m.nt. Mevis waarin hij schrijft: "Voor verontschuldigbare dwaling is niet voldoende dat men in zijn algemeenheid in redelijkheid kan bepleiten dat een wettelijk voorschrift niet van toepassing is (HR 26 januari 1971, NJ 1971/322, m.nt. W.F. Prins), dus zonder van gezaghebbende en bevoegde persoon of instantie inlichtingen te hebben ingewonnen."
4 Pagina 81 en verder.
5 Verdachtendossier, proces-verbaal van 7e verhoor, p. 99.
6 Verdachendossier, proces-verbaal van bevindingen 7e verhoor, p. 102 en 103.
7 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, p. 171, vgl. HR 8 oktober 1991, NJ 1992/156 (denaturering) en HR 12 november 2002, LJN AE8876 (geen denaturering; niet gepubliceerd).
8 Het NFI-rapport, waar bewijsmiddel 13 op is gebaseerd, bevat voor de zinsnede "voor het opstellen van" de woorden "zijn gebruikt"; in bewijsmiddel 13 zijn deze woorden kennelijk weggevallen.


Valid HTML 4.01 Transitional